Zeilreis richting Schotland. deel 2

Wat vooraf ging: deel 1

Zaterdag 19 augustus 2015

We nemen vandaag de bus naar Cupar en naar St. Andrews. We nemen bus 95, dat is niet de snelste bus, maar wel degene met de naar ons idee mooiste route. Zo zien we ook vanuit de bus nog wat van deze omgeving. Het is een wat hobbelige weg, maar wel één met mooie vergezichten. Het is zo’n dubbeldekkerbus, waarbij we bovenin vooraan voor het raam zitten; eersteklas dus! Deze regio lijkt vooral te leven van de landbouw, grote onafzienbare velden met graan en kolen. De weg loopt voor een groot gedeelte langs de kust, waarbij we over het prachtige heuvellandschap over de zee kunnen uitkijken. We rijden door verschillende dorpjes. In een ervan stapt een gezin met 3 kinderen in. De kinderen hebben er duidelijk zin in om met de bus mee te gaan, de opwinding straalt er al vanaf wanneer we ze bij de bushalte zien staan. Ze rennen in de bus de trap op en je hoort hun teleurstelling wanneer ze zien dat de stoelen voorin al bezet zijn. Dan voel ik een klein handje tegen mijn arm tikken. ‘Would you like to sit in front?’ vraagt Ricco naar de bekende weg. Verlegen knikken de kindjes verrast. Wij staan op, om plaats te maken voor het enthousiaste drietal en gaan een bank naar achteren zitten.

Het is hier een walhalla voor golfliefhebbers. Overal enorme golfbanen en in een van de dorpjes is zelfs een openbaar veld om het putten te oefenen.

Op het busstation van St. Andrews stappen we over op een bus naar Cupar, want daar is een boerenmarkt die we willen bezoeken. In Cupar aangekomen, gaan we eerst ergens koffie drinken, met wat lekkers erbij. Op de gok bestel ik een ‘chocolate tower’ en dat blijkt een goede keus. Echt heerlijk. Een soort van Bossche bol, maar in plaats van met slagroom is deze gevuld met mokka. Echt, om je vingers bij af te likken! Op de boerenmarkt vinden we heerlijke kaas, gerookte vis (Arbroath smokie) en plaatselijk bier. We zouden ons ook nog tegoed gedaan kunnen hebben aan hertenbiefstuk, diverse soorten worsten, fudge en taart, maar we houden ons in.
Als klap op de vuurpijl treedt er een doedelzakorkest op. Dat moet je in Schotland toch echt hebben meegemaakt, of je er nu van houdt of niet.

We lopen nog een extra rondje om te kijken of Cupar nog meer te bieden heeft dan de boerenmarkt en juist als we geconstateerd hebben dat dat niet het geval is, zien we dat er mensen in en uit een gebouw lopen. Dat wekt Ricco’s nieuwsgierigheid. We lopen een paar passen naar binnen en we zien een soort van conversatiezaal met allemaal oudere mensen. Is het een bejaardentehuis? Bij de ingang zit een mevrouw bij een geïmproviseerde kassa en aan haar vragen we wat er hier te doen is. Het blijkt dat in dit oude korenmarktgebouw vandaag de Cupar Flowershow georganiseerd wordt. Een competitie in allerlei categorieën voor alle leeftijden; bijvoorbeeld een competitie groenten kweken, bonsaiboompjes, dahlia’s kweken, lekkers bakken, handwerk, fotografie en ga zo maar door.
We vinden het zo leuk dat we hier toevallig terecht zijn gekomen dat we besluiten entreekaarten te kopen. En daar krijgen we geen spijt van; wat is dit leuk en grappig tegelijk. We starten bij de groentecompetitie; er ligt rabarber, peterselie, bietjes, koolrapen, sla, tomaten, meloenen, kolen, uien, wortels, boontjes, aardappels
en preien tentoongesteld. De langste en rechtste boontjes hebben de eerste prijs gekregen, de meest rechte en symmetrische wortel ook. Voor elke groentesoort is er een 1ste, 2de en 3de prijs.
Eén van de bonsai-kwekende heren vertelt vol enthousiasme over zijn hobby en boven vinden we nog de bloemen, de bloemstukjes, het fruit, de handwerkjes. Het is enerzijds van een enorme truttigheid, maar aan de andere kant zo ontzettend mooi, dat op deze manier de heel verschillende passies van mensen uit het dorpje in de schijnwerpers worden gezet! Neem bijvoorbeeld de gebreide aardbeitjes, worteltjes en gebakken ei. Of de Dahlia’s die keurig in het gelid staan! Het is niet uit te leggen, maar we genieten met volle teugen!

We drinken beneden nog een kop koffie en gaan dan weer richting het busstation, want ook het stadje St. Andrews staat vandaag nog op het programma.
Het stadje, dat in de Schotse geschiedenis een belangrijke plaats innam, is al sinds 1413 een universiteitsstad. De enorme universiteitsgebouwen zijn daarvan de stille getuigen. Maar ook de ruïnes van het kasteel en van de kathedraal zijn heel imposant. Bij het kasteel werd in 1546 de eerste protestantse kerk in Schotland gesticht, nadat de machtige kardinaal Beaton hier een protestantse prediker, George Wishart, verbrandde en vervolgens zelf werd vermoord door de vrienden van de door hem vermoorde prediker.
We lopen door het museum van het kasteel en leren zo over de geschiedenis van de kathedraal en het kasteel in St. Andrews. Vooral in de vijftiende en zestiende eeuw bereikte het kasteel zijn hoogtepunt als de woonplaats van de meest machtige mannen in het koninkrijk.
We bekijken de ruïnes van het kasteel. Vanuit hier kun je de kathedraal zien, en vooral wat een enorm bouwwerk het moet zijn geweest. We lopen vervolgens die richting op; een enorm terrein, waar slechts nog een deel van wat ooit een gigantische kathedraal was, nog overeind staat. De kathedraal is in de middeleeuwen een bedevaartsoord geweest, waar men vanuit alle windstreken, van heinde en verre naar toe kwam.

We hebben genoeg gezien voor vandaag en lopen terug richting het busstation. Als we de verwijzing naar een antiekmarkt in het oude stadhuis zien staan, gaan we toch nog even kijken, ook al loopt het al tegen het sluiten van de markt en zijn verschillende kooplieden al begonnen met opruimen van hun koopwaar.

Nu zijn we echt toe aan de terugtocht per bus en we genieten opnieuw van de rit. De buschauffeur heeft er aardig de vaart in over die weg vol hobbels!

Om half acht is het laagwater en maken we nog een ommetje om de haven. De haven ligt er in het avondlicht prachtig bij. Als de zon onder is, gaan we terug naar de boot om te gaan genieten van de vandaag gescoorde biertjes.
Morgen gaan we weer verderop met de boot; we koersen op een haventjes net voorbij Edinburgh. We kunnen echter niet voor half twaalf vertrekken; dan pas is het tweeënhalf uur voor hoog water en is er voldoende water in de haven om te kunnen vertrekken.

Zondag 20 augustus 2015

Voor we vertrekken maak ik eerst schoon schip. Met stofzuiger, emmer sop en poetslap trek ik ten strijde. In een uur is alles weer spic en span; was dat thuis ook maar zo.
Om half twaalf staat er al weer 2,40 m water en zijn we klaar om te vertrekken. Ons volgende doel is de haven van Granton, een voorstadje van Edinburgh.
We kunnen er niet direct op aan koersen, want de wind komt juist uit die richting. We varen aan de wind en moeten waarschijnlijk een aantal slagen maken. Aan de wind is nog net een koers van 195 graden te bezeilen, terwijl ons doel op 230 graden ligt.

Het bevalt me wel in Schotland. Het is wat aan de koude kant, maar de hoeveelheid regen valt me alles mee. De mensen waar we hier kennis mee hebben gemaakt zijn ontzettend vriendelijk, behulpzaam en belangstellend. Ze hebben niet dat wat overdreven keurige van de Engelsen, maar lijken meer de mentaliteit van ‘doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’ te hebben. Wat dat betreft lijken ze misschien wel een beetje op de Nederlanders. Net als de Nederlanders hebben de Schotten in elk geval ook de naam dat ze erg zuinig zijn, maar daar hebben we nog niets van gemerkt.

Er staat vandaag niet heel veel wind. De wind die er is, is nogal vlagerig, niet voor wat betreft de windrichting, maar wel wat betreft de windkracht. Daardoor varen we, telkens wisselend, tussen de 2,3 en 4 knopen. Als we rechtstreeks zouden kunnen varen, zouden we vandaag een afstand van 22 mijl af moeten leggen, maar omdat we moeten laveren wordt de weg die we te gaan hebben.
Dinsdag 22 augustus 2017

Het is een grijze dag vandaag, het is niet echt mistig in de haven, maar er hangt een grijze sluier over het landschap. Niet echt weer dat uitnodigt om iets te gaan ondernemen. Bovendien heeft Ricco vandaag uitgeroepen tot klusjesdag.
Het motorluik gaat open, en er komt een schroevendraaier te voorschijn. Ik hoor een licht gevloek, wat betekent dat een en ander niet vanzelf open gaat. Dan hoor ik geklok van water en dat is een goed teken, want dan heeft Ricco losgekregen wat de bedoeling is. Het water loopt in de plastic zak die Ricco daarvoor al klaar had gelegd. “Hè, dat is raar, dit is een heel ander soort thermostaat” zegt Ricco. Als ik vraag of het dan wel past antwoordt Ricco dat hij dat nog niet weet. Eerst wil hij de thermostaat testen. Er wordt een pannetje water op het vuur gezet en de thermostaat die net nog in de motor zat, verdwijnt onder water. Even later diept Ricco het apparaat uit het water en zegt ‘Die doet geen fluit’. Dat betekent dus dat het wel eens zo zou kunnen zijn dat Ricco een probleem aan het oplossen is, waar we al heel lang last van hebben. Ricco plaatst de reservethermostaat in de motor en dan gaat de motor aan. Met het motorluik open is dat een hels kabaal; alsof je je in een fabriekshal bevindt waarin alle machines op volle toeren draaien. Oorbescherming is nog net niet verplicht.
Het volgende klusje betreft de giek. De geleider voor het grootzeil is een paar dagen geleden losgeschoten. Ricco had dat al tijdelijk opgelost met een zeilbandje. Om het echt helemaal goed op te lossen is het nodig om de giek helemaal om te keren en dat is een klus die voor nu veel te ver gaat. Wel zorgt Ricco er nu voor dat de geleider weer door de rails loopt en hij zorgt er voor dat hij er niet opnieuw uit kan lopen.
Nu moet de temperatuursensor nog worden vervangen en wordt nagelopen of de urenteller van de motor goed is aangesloten. Dan het laatste klusje: het schrobben van het dek.
Als de boot er ook van de buitenkant weer uit ziet als door een ringetje te halen, gaan we naar de Yachtclub en zitten lekker in de rode fauteuiltjes, genietend van de gratis WiFi aldaar. Om zes uur zijn we bij de buurman uitgenodigd voor de borrel, maar als we daar aankomen, is er niemand aan boord. Dan ga ik toch eerst maar koken en als het eten bijna op tafel staat, komt Colin, onze buurman zich excuseren dat het wat later is geworden. We beloven dat we na het eten even langs zullen komen en dat doen we ook. Colin, de schipper van rond de 70 jaar, heeft zijn kleinkinderen en een goede vriendin als bemanning meegenomen. Zijn vrouw kan niet meer mee, zij lijdt aan Alzheimer en is thuis, waar zij normaliter door Colin wordt verzorgd. Behalve Colin en zijn vrouwelijke bemanningslid, ik weet haar naam niet meer, is er ook nog een bevriend stel aan boord. Maggie en haar vriend, wiens naam ik niet goed heb meegekregen, zijn ook rond de zeventig jaar.
Tegen tienen is het oudere stel al vertrokken en valt Colin bijna op de bank in slaap, dus is het tijd om te vertrekken. Wel heel bijzonder, hoe je je zo maar thuis kunt voelen bij wildvreemde mensen!

Woensdag 23 augustus

Ik word wakker van de kletterende regen op het kajuitdak. Shit! Het is zeven voor acht en we zouden om acht uur vertrekken! Ik klauter de kooi uit en zet water op voor koffie. Ricco ligt ook nog te slapen, maar ik roep hem nog niet, hij heeft sowieso veel minder tijd nodig om op te staan. Ik schiet snel mijn kleren aan en als ik de koffie sta op te gieten gaat de wekker. Ach! Hebben we de wekker een uur te laat gezet!
Ricco wordtwakker van de wekker en staat rustig op, hij lijkt niet bijzonder veel haast te hebben. Het duurt nog even voor ik door heb dat het helemaal geen acht uur is, maar dat de wekker keurig om zeven uur is afgegaan. Ik heb bij het opstaan op een klok gekeken die op Nederlandse tijd staat. Dat is heerlijk, want nu kunnen we gewoon rustig ontbijten en de boot rustig zeeklaar maken.

Ricco kijkt naar het vlaggetje achter op het schip. De wind staat nog steeds oost, in tegenstelling tot wat de gribfiles aangaven , namelijk dat de wind zou gaan ruimen naar het zuiden. Ik heb geen zin om dat hele stuk weer tegen de wind in te gaan varen, zeker nu de hoeveelheid wind ook flink tegenvalt. We kunnen natuurlijk ook nog een dagje Edinburgh doen. Morgen staat de wind als het goed is west. Er is nog zoveel dat we van Edinburgh niet gezien hebben. “Of we varen de andere kant op naar Port Edgar” stelt Ricco voor. Dat is een goed idee! Het is maar een mijl of tien, dus het maakt niet uit als we een beetje langzaam gaan en dan zien we ook weer een ander plekje.
Zoals gepland maken we de boot precies om acht uur los van de steiger en kiezen we weer het ruime sop. We hebben de wind achter, dus we zetten alleen de Genua omhoog. Als we het grootzeil erbij zouden zetten, neemt die de wind van de Genua uit haar zeil.
Ik zit te schrijven wanneer ik Ricco met een zekere regelmaat heel diep hoor in- en uitademen. Wat is er aan de hand? Is hij ter ontspanning ademhalingsoefeningen aan het uitvoeren? Ik kijk hem vragend aan en hij zegt: ‘Geen wind’. Dan pas dringt het tot me door dat hij aan het blazen is in de richting van de Genua. De grappenmaker!

Ricco wil de motor starten, maar ik zeg dat we beter gewoon kunnen wachten tot er weer wind is. Een mooie oefening voor de wereldreis die we straks gaan maken. Dan kunnen we ook niet elke keer maar de motor aan zetten.
Als het toch wat langer duurt dan ik had verwacht voor er weer wind is besteden we de tijd nuttig; Ricco leert mij hoe je de Genua aan moet slaan. Als het grote dunne zeil is gehesen, probeer ik met behulp van dit zeil nog enige vooruitgang uit de boot te persen. Dat lukt, maar deze vooruitgang is zo gering, dat de meetinstrumenten het niet eens kunnen meten.
Heel langzaam stevenen we op ons doel af. In de verte zien we drie enorm hoge bruggen, zo’n 45 meter hoog, waar we met gemak onderdoor kunnen, de eerste is een spoorbrug, de tweede een brug met een autoweg erover en de derde is een nieuwe brug die nog in aanleg is. De haven van Port Edgar ligt aan bakboordzijde na de tweede brug.
De trein die over de brug rijdt is vanaf hier net een modelspoortreintje. Over de tweede brug raast het autoverkeer, dat een pokkenherrie maakt.
De wind ruimt steeds meer, veel later dan verwacht, maar nu gebeurt het dan toch. Als we daardoor steeds verder aan de wind moeten varen, lukt het niet langer met de halfwinder. We hijsen daarom het grootzeil. Ricco ruimt daarachter de halfwinder weg in zijn foedraal en dan rol ik de Genua uit. Zo laveren we richting de haven, waar we uiteindelijk, na 6 uur varen, maar vooral drijven, aan kunnen leggen in een box.
Terwijl we onze zeilpakken uittrekken komt ook Colin met zijn bemanning binnenvaren en niet veel later Maggie met haar schipper.

Anderhalve kilometer van de haven is een klein stadje; South Queensferry, dat verrassend pittoresk blijkt te zijn. Dit zou een mooie rustige uitvalsbasis zijn voor een bezoek aan Edinburgh. Ik maak bij wijze van spreken driehonderd foto’s van de enorme bruggen, ze intrigeren me op de een of andere manier enorm.
Als we aan het einde van het dorpje gekomen zijn, nemen we een pad naar boven en lopen zo het pad met uitzicht op het stadje terug.

Ricco heeft nog wat informatie gevonden over de Forthbridge, welke de eerste spoorbrug blijkt te zijn die op de werelderfgoedlijst staat. De brug is gebouwd tussen 1883 en 1890 en is bijna 2,5 km lang. Het is een zogenaamde cantileverbridge, waarbij gebruik wordt gemaakt van een eenzijdige ophanging. Ricco heeft een plaatje gevonden, waarbij dit principe levendig wordt geïllustreerd.

Na het eten zitten we nog een poosje aan dek en hebben zicht op de zeilwedstrijd die voor de haven plaatsvindt.

Donderdag 24 augustus 2017

“Het is vijf voor zeven” roept Ricco me wakker en hij licht daarbij toe dat we hadden afgesproken om om zeven uur te vertrekken. Gelukkig staat er ook al koffie klaar en het lukt ons om 20 minuten later uit de haven van Port Edgar te vertrekken. We gaan vandaag naar Eyemouth, wat 50 zeemijlen verderop ligt. We moeten daarvoor het grootste gedeelte in oostelijke richting varen en het laatste stukje, als we de Firth of Forth uit zijn, in zuidelijke richting.

Het lijkt een mooie dag te worden, de zon schijnt en het is niet koud. Het ziet er rondom ons allemaal zo mooi uit in het vroege ochtendlicht.

De windrichting is nu eindelijk gunstig voor ons. Er staat nog niet heel veel wind, maar de verwachting is dat die wel wat zal toenemen. We varen met het grootzeil en met de halfwinder. Gelukkig hebben we het eerste stuk nog wel flink de stroom mee; met de drie knopen stroom hebben we een voortgang van vijf knopen.

We varen langs diverse eilandjes, bijvoorbeeld ten zuiden langs het eiland Inchcolm. Het verhaal gaat dat koning Alexander I tijdens noodweer in 1123 op het eiland belande. Dankbaar voor zijn redding stichtte hij hier daarom een abdij, waarvan wij nu de ruïne op het eiland zien staan. Als ik op zoek ga naar meer informatie over het eiland en de abdij, ontdek ik dat het woord ‘ruïne’ de abdij geen recht doet. Het vroegere Augustijner klooster is de best bewaard gebleven oude abdij van Schotland. De vertrekken rondom de kloosterorde zijn geheel intact gebleven. Elk jaar bezoeken zo’n 20.000 toeristen de abdij. De abdij wordt vaak uitverkoren voor trouwceremonies. Daarnaast is Inchcolm ook de thuisbasis van een kolonie zeehonden.

Vervolgens varen we het eilandje Oxcars, met daarop een vuurtorentje, ten noorden langs, waarachter we de skyline van Edinburgh mooi zien liggen.
Er staat hier ontzettend veel stroom, dat kun je aan het water zien; op bepaalde gedeeltes ziet het wateroppervlak er heel erg glad uit, terwijl je even verderop plekken in het water ziet, waar kleine golfjes dicht opeen als puntjes in het water op en neer dansen.

“Kijk daar! Een zeehond!” Hij steekt zijn kopje boven water, neemt een duik, komt weer boven, kijkt ons nieuwsgierig met zijn trouwe hondenogen aan, duikt weer onder en verdwijnt uit ons zicht. Wat gaat dat snel! Ik heb hem, bewogen, dat wel, nog net op de foto kunnen zetten.

Niet ver van ons vandaan vaart een rood vissersbootje. Zodra de netten zijn uitgegooid, die de boot vervolgens achter zich aan sleept, zie ik dat er vrijwel direct, ze komen van alle kanten, laag over het water vogels op af komen vliegen. Binnen de kortst mogelijke tijd vliegt er een enorme vlucht vogels achter de boot aan. Waar komen ze zo snel ineens allemaal vandaan? En hoe hebben ze zo snel in de gaten dat er daadwerkelijk gevist gaat worden? Immers toen de vissersboot daar al een hele poos voer zonder dat zijn netten buiten boord waren, was er geen vogel in de buurt te bekennen! “Ze roepen elkaar op via de marifoon” verklaart Ricco dit fenomeen droog.

Hier en daar zien we aan de wal, in het voor het overige redelijk vlakke landschap, heuvels liggen in de vorm van een enorme pukkel. Deze pukkels hebben de vorm van een vulkaan. Ik denk dat hier inderdaad ooit een groot vulkanisch gebied geweest is. Dit wordt bevestigd door wat ik lees; Schotland had 230 miljoen jaar geleden een woestijnbodem, waar vulkanische uitbarstingen lavastromen overheen stortten. En zo’n zeventigmiljoen jaar geleden was er nog steeds vulkanische activiteit.

We varen tussen twee eilanden door, die we op de heenweg al in de verte hadden zien liggen. Het eiland dat ik op de heenweg het groene halve bolletje noemde, laten we aan bakboord aan ons voorbij gaan, het grijze rotseiland aan stuurboord. Als we het laatstgenoemde eiland, Bassrock genaamd, dichter naderen lijkt het alsof er een wattenlaagje over het eiland ligt. Als ik beter kijk zie ik wat het is; het totale eiland is bedekt met vogels, duizenden en duizenden dicht opeen gepakte Jan-van-genten bedekken het eiland totaal! Wat een wonderlijk gezicht! Dit moet één van de plekken zijn waar de Jan-van-genten nestelen.

Als we Eyemouth, onze eindbestemming voor vandaag, naderen gaan we wat dichter bij de kust varen. Over de hoge kliffen is een prachtig zacht groen tapijt gelegd.

Bovenop de kliffen zijn witte huisjes en een vuurtoren geplant, waar de zon haar laatste stralen van onder de wolken over laat schijnen. Het is St. Abbs Head, een klif waar ooit de lavastroom over naar beneden stroomde. Er zijn in de omgeving van St. Abbs verschillende kraterpijpen van vulkanen teruggevonden.

We varen de haven van Eyemouth in, waar bij de ingang, je gelooft het niet, een voederplaats is voor zeehonden. Een aantal mensen is de dikke vette volgevreten beesten, die blijkbaar totaal niet meer schuw zijn, aan het voeren. Een plaatselijke ondernemer verkoopt er kleine stukjes vis, ‘4 bites for 2 pounds’, die aan een lange lijn met een knijper naar beneden de kade af wordt geleidt. Daar drijft een plastic oranje mat op het water, waar de zeehonden met een beetje moeite op kunnen klimmen, om hun vishapje aan te nemen. Als de gulle gever daar tenminste toe is genegen, want voor zo’n bite van een halve pond wil je het beest natuurlijker iets langer zien dan een paar seconden en dan kun je de hengel beter nét buiten bereik van de zeehond houden. We vinden het een treurig, onnatuurlijk en zielig gezicht.

Als we hebben aangelegd heb ik geen zin meer om te koken. Onze Engelse buurman met de catamaran waar we aan vast liggen in de haven, raadt ons ‘The Contented Sole’ aan, waar ze goed eten tegen een goedkoop tarief aanbieden. Op zoek naar deze pub lopen we in de haven langs het indrukwekkende kunstwerk ‘Widows and bairns’, de bronzen sculptuur ter nagedachtenis aan de weduwen en kinderen van de mannen die bij de storm op 14 oktober 1881 omkwamen; totaal 189 mannen van langs de oostkust, waarvan 129 uit Eyemouth.

De pub blijkt een echte aanrader; gezellige sfeer en super vriendelijke bediening. We drinken een whisky beneden in de pub en verplaatsen ons dan naar het bovengelegen restaurantgedeelte, eten fish and chips en sluiten de maaltijd af met een heerlijk toetje en een bak echt Engels slootwater, wat ze hier koffie schijnen te noemen.

Vrijdag 25 augustus 2017

Om zeven uur zijn we er allebei al uit, terwijl het de bedoeling is om vandaag een dagje te chillen. Tegen half twaalf hebben we al weer lang genoeg genietsnut en vinden we het tijd om in actie te komen. Tenminste, als we de tosti’s op hebben die ik klaar ga maken.

We lopen eerst even langs de havenmeester. Daarna gaan we naar het smokkelaarsmuseum in een huis, Gunsgreen house, aan de kade, dat in 1753 in opdracht van de smokkelaar John Nisbet werd gebouwd naar het ontwerp van de architect James Adam.

Eyemouth’s drukke haven zorgde dat dit een goede basis was voor smokkelaars. Schotland had, tot de ‘Act of Union’ in 1707, namelijk veel lagere belastingtarieven dan Engeland. Eyemouth was de ideale plaats om goederen van het Europese vaste land binnen te brengen en deze vervolgens naar Engeland te smokkelen.

Smokkelaars moeten creatief zijn om hun waren bij hun klanten te krijgen, ze gebruikten een enorme variëteit aan trucken, zoals geheime zakken in hun kleding, geheime compartimenten in schepen, slimme manieren om flessen te verbergen en speciale verstopplekken in huizen, zoals hier in het Gunsgreen house.

De manier waarop de belastingdienst in die tijd was georganiseerd, maakte het smokkelen gemakkelijk. De ‘ tide-watchers’ moesten uitkijken naar de binnen komende schepen en van hen werd verwacht dat zij de schepen inspecteerden. Maar het beroep, dan ook nog eens onderbetaald werd, maakte je niet populair in een dorp, waar bijna iedereen bij het smokkelen betrokken was. De hele gemeenschap was inderdaad bij het smokkelen betrokken, immers iedereen profiteerde er van. De meeste mensen zagen het als de enige manier om een eerlijke prijs voor dingen te betalen die ze nodig hadden. Er waren veel ‘tide-watchers’ die niet al te goed keken wanneer de schepen de haven binnen kwamen.

De belastingen in de 18de eeuw waren enorm, omdat de Engelse regering geld nodig had voor de oorlogen die in Europa werden gevoerd, maar ook voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog. Door de hoge belastingen was de prijs van thee ruim drie keer zo duur als op het Europese vasteland en tabak en brandy zelfs vier keer zo duur.
Sir Robert Peel, minister president I 1845, zag in dat vechten tegen de smokkelaars een hopeloze zaak was. Hij verminderde de belasting enorm en binnen tien jaar bloedde de grote schaal waarop het smokkelen tot dan toe plaats vond dood.

De beneden verdieping is in zekere zin de kelderruimte en bevat de bijkeuken, een grote keuken, opbergkamers, kamertjes voor het personeel en een grote brede trap die naar de eerste verdieping leidt. De eerste verdieping was het woongemeente van de eigenaar van het huis. De bovenste verdieping van het huis en de zolder werd door de eerste eigenaar als opslagplaats van goederen gebruikt. Latere eigenaren richtten het in als woonruimte. Nu doen die bovenste verdiepingen dienst als kantoorruimtes van het museum.

In het midden van de 18de eeuw, werd er op thee enorm hoge belasting geheven en alleen de Oost Indische Companie, die in London was gezeteld, had toestemming om de thee te importeren.
De eigenaar van het huis waarin wij ons bevinden importeerde thee uit Gothenborg, de thuisbasis van de Zweedse Oost Indiase Companie, die thee naar Europa bracht vanuit China, bijna geheel voor de smokkel naar Brittanië. Ten behoeve van het opslaan en distribueren van de thee, had de eigenaar van dit huis een geheime ingenieuze zogenaamde ‘thee chute’ aan laten leggen bij de bouw van het huis, waarin hij 230 kg thee kon verstoppen.

Na ons bezoek aan het smokkelmuseum in het Gungreen house lopen we naar het bezoekersinformatiecentrum, dat is gevestigd in het Eyemouth museum in het centrum. Voor een pond kopen we het boekje met de stadswandeling en we laten het museum verder voor wat het is. Voor we aan de stadswandeling beginnen gaan we eerst wat drinken. Ricco neemt een koffie, een hele goede deze keer, en ik heerlijke peppermintttea, waarvan ik een hele pot geserveerd krijg. Dan gaan we aan de stadswandeling beginnen. Het bijbehorende boekje geeft ons geschiedenisles.

Eyemouth is begonnen als haven en vissersdorp ten behoeve van het toentertijd acht kilometer verderop gelegen klooster. In de 12de eeuw werd er voor het eerst over het dorp geschreven. Rond die tijd besloeg het dorpje 25 huizen met tuin, waarvan er negen leeg stonden. Aan het einde van de vijftiende eeuw werd Eyemouth ook strategisch belangrijk; door het verlies van het zuidelijker gelegen Berwick-upon-tweed aan de Engelsen in 1482, werd de haven van Eyemouth de meest zuidelijke haven van Schotland. Van de havenmeester hadden we al gehoord dat het nu Engelse grensplaatsje Berwick-upon-tweed twaalf keer Schots is geweest en nu voor de dertiende maal tot het Engelse grondgebied behoort. We begrijpen nu dat die laatste keer al in 1482 was. ‘ En ze praten er nu nog over!’ concludeeert Ricco.

In de vroege zeventiende eeuw kreeg Eyemouth de status van een bisdom en in 1695 was de populatie gegroeid tot 304 personen. Dat wil zeggen, zónder de armen mee te rekenen, want die werden niet meegeteld. Rond die tijd werden een heel aantal dorpsbewoners als heks verbrand op het strand.

Eyemouth ontwikkelde zich in de loop van de jaren als vissersdorp, maar ook de landbouw speelde met haar graantransport een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de haven. De storm in 1881 was dan ook rampzalig. De vloot voer die zonnige dag uit, terwijl er geen wolkje aan de lucht was. Zonder enige waarschuwing sloeg het weer om tot een enorme storm, die eveneens 30.000 bomen plat legde. Op de kade zagen de angstige vrouwen en kinderen de negentien boten, die de haven al in het zicht hadden, met man en muis vergaan. Deze zwarte vrijdag had een enorme impact op het dorp, behalve het verdriet om het verlies van hun geliefden, 73 vrouwen werden weduwe en 263 kinderen verloren hun vader, ook een economische ramp. De gezinnen verloren hun bron van inkomsten en de verdere plannen voor de ontwikkeling van de haven werden stopgezet. Het duurde bijna 100 jaar voor de populatie weer was gegroeid naar het niveau van 1881.

De route van de stadswandeling start bij het museum annex VVV in het gebouw dat in 1812 als kerk gebouwd werd. Vanaf hier lopen we langs de kade, waar de vis vroeger en nu aan de wal werd en wordt gebracht. We lopen een viswinkel binnen en kopen een gerookte makreel. Dan zien we dat er ook eieren op de toonbank staan, en die hadden we ook net nodig. “Doe er ook maar een doosje eieren bij” zegt Ricco. “Het zijn toch wel kippeneieren en geen viseieren?” vraagt Ricco met een serieus smoelwerk. “Nee, nee, het zijn kippeneieren” antwoordt het meisje en dan ineens begrijpt ze Ricco’s grap. “Daar ben ik mooi ingetuind!” reageert ze sportief en met een rood hoofd.

We lopen richting het strand langs The Ship Hotel en langs het Hippodrome, het vroegere graanhuis dat nu dienst doet als kunstcentrum. Aan de overkant van het water zien we Gungreens house liggen.
Opnieuw komen we vervolgens langs het kunstwerk dat gemaakt is ter nagedachtenis aan de ramp tijdens de storm in 1881. Het werk is bijzonder indrukwekkend. Zo’n enorm aantal figuren, die ieder op hun eigen manier de ontzetting, de verbijstering en het verdriet uitdrukken van dat moment. Elk bronzen figuur stelt een echt persoon voor, ze zijn in groepjes geplaatst boven de naam van hun boot. Het is een werk van Jill Watson, wat mij betreft een naam om te onthouden.

We lopen verder over het strand. Er ligt zoveel troep op het strand, dat met hoogwater aangespoeld is. Zeewier natuurlijk, maar dat is niet erg. Wat schrikbarend is, is de hoeveelheid plastic en stukjes visnet die vanuit de zee op het strand gespoeld zijn.

In de 17de eeuw was Eyemouth een van de grootste, waar het de heksenjacht in Schotland betrof. Minstens twee dozijn vrouwen en verschillende mannen werden schuldig bevonden aan hekserij, meestal beschuldigd door buren met geen andere reden dan dat ze de gemeenschap ongeluk zouden brengen.

Aan het einde van het strand nemen we de trap naar boven, we lopen een stukje langs het vakantiepark en komen dan bij Fort Point. Van het fort is niet veel meer over dan de verhalen. Het fort werd hier, naar Italiaans ontwerp, in de zestiende eeuw gebouwd, voor een bedrag van 1908 pond. In 1550, slechts twee jaar na de oplevering, werd de vrede getekend tussen Frankrijk, Engeland en Schotland en zo als overeengekomen werd het fort afgebroken. Nog maar drie jaar later was het echter al weer crisis, wat er nog weer vier jaar later, het is nu 1557, in resulteerde dat het fort opnieuw werd opgebouwd.
Over het fort loopt ook het coastal path in de richting van Coldingham, of de andere kant op naar Berwick. Vanaf hier heb je prachtige uitzichten over de baai.

Er staan twee kanonnen op het fort, de loop richting zee gericht, maar meer ter illustratie, lijkt mij. Iemand heeft uit de loop van het kanon een bos veldbloemen gestoken. ‘Flower power’ noem ik dat!

Als we weer in het dorp terug zijn loopt de route langs de oude begraafplaats, die verworden is tot een bijzondere plaats als gevolg van de cholera-epidemie die heerste in 1849, waarbij in zes weken meer dan 100 mensen aan deze ziekte overleden. Als gevolg hiervan moest de begraafplaats twee meter verhoogd worden, zodat bovenop de oude begraafplaats een nieuwe kon worden aangelegd en er zo weer voldoende ruimte ontstond om meer mensen te begraven.
In het midden van de begraafplaats is een herdenkingsteken geplaatst in de vorm van een gebroken mast, ter herinnering aan de vissers die tijdens de grote ramp in 1881 omkwamen in de storm.

We hebben genoeg gezien voor vandaag en als we terug lopen naar de haven zien we dat de vissersboot die vannacht omgekukeld was in de haven, omdat hij niet goed was aangemeerd, naar de werf wordt gesleept. Hoewel ook de motor nog wel bij staat, sturen twee vissersmannen die met een lijn op de wal lopen de boot bij. We komen daar onze Engelse buurman tegen, die we uitnodigen voor een borrel op de Pinta. Even later voegt ook onze Engels-Belgische buurman zich bij ons en we hebben zo een gezellig samenzijn. Als ze zijn vertrokken doen we voor het slapen gaan de reisvoorbereiding voor morgen.

Het vervolg: deel 3